Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe beheert onder andere de archieven van twee middeleeuwse Hanzesteden: Harderwijk en Elburg. Het Hanze-verleden van deze steden vormt een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit van deze plaatsen. Maar wat was de Hanze, wat was de rol van Harderwijk en Elburg binnen dit handelsnetwerk en welke sporen vindt u hiervan terug in onze archieven? 

De Hanze

In de middeleeuwen was handel drijven een riskante onderneming. Langeafstandshandel in het buitenland of over zee bracht allerlei gevaren met zich mee. Schipbreuk, piraterij, handelsconflicten en handelsbarrières zoals tollen, belastingen en invoerbeperkingen hadden een negatief effect op deze handel. Kooplieden uit verschillende Noordwest-Europese steden sloten zich daarom al sinds de hoge middeleeuwen aan bij zogenaamde hansa's, groepen kooplieden die samen handel dreven en elkaars handelsvoorrechten en privileges in het buitenland verdedigden. Via dit soort handelsprivileges, zoals tolvrijdom of het recht om in een belangrijke handelsstad een handelssteunpunt (kantor) te vestigen, trachtten deze kooplieden concurrentievoordelen te behalen en daarmee hun handelswinsten te maximaliseren. Daarnaast bedongen de kooplieden vrijgeleides in buitenlandse territoria.

De Duitse Hanze was van deze koopliedenhanzes de belangrijkste en tegenwoordig meest bekende. Tot in de veertiende eeuw was dit echter geen formele stedenbond, maar een losjes geweven netwerk van kooplieden uit verschillende regio's, die de voorrechten van de Duitse koopman genoten en onder die vlag handel dreven met andere economische regio's. Pas vanaf de veertiende eeuw transformeerde de Hanze in een meer gestructureerde stedenbond, met Lübeck als 'hoofdstad'. In de vijftiende eeuw werden de steden in verschillende economische regio's gegroepeerd in zogenaamde kwartieren. De steden in de Oostelijke Nederlanden, waaronder de Overstichtse Hanzesteden Deventer, Kampen en Zwolle en de Gelderse steden Nijmegen, Arnhem, Zutphen, Venlo, Harderwijk en Elburg vielen sindsdien onder het Keulse kwartier.

Harderwijk en Elburg

Vanaf het midden van de dertiende eeuw begonnen ook kooplieden uit de zich ontwikkelende steden in vooral de Oostelijke Nederlanden aansluiting te vinden bij dit handelsnetwerk. Kooplieden uit steden als  Deventer, Nijmegen en Zutphen hadden al eeuwenlang handel gedreven via de rivieren met kooplieden uit het Duitse Rijk, bijvoorbeeld uit de grote handelsmetropool Keulen. Vanaf de late twaalfde eeuw ontstond door talloze stormvloeden uit het Almere de Zuiderzee, waarmee een goede bevaarbare verbinding tussen de IJssel en de Zuiderzeekust langs de Veluwe met de Noordzee ontstond. Vanaf de dertiende eeuw ontwikkelde Kampen zich als de belangrijkste overslaghaven tussen de rivierhandel en de zeeroutes richting Engeland, Frankrijk én het Oostzeegebied. In de schaduw van Kampen ontwikkelden ook Harderwijk en Elburg zich tot handelssteden. In 1231 ontving Harderwijk stadsrechten van de Gelderse graaf Otto II. Met die stadsrechten kreeg de stad ook economische voorrechten, bijvoorbeeld tot het houden van jaar- en weekmarkten. Kooplieden uit Harderwijk hebben in ieder geval sinds de late dertiende eeuw handelscontacten met de belangrijkste Noord-Duitse Hanzesteden, zoals Lübeck, Hamburg, Bremen en Rostock.

In 1316 ontving Harderwijk van de Deense koning bijvoorbeeld uitgebreide handelsvoorrechten en een handelsnederzetting (vitte) op het schiereiland Schonen. Dit was een belangrijk privilege, omdat Harderwijker kooplieden actief waren in de vishandel met het Oostzeegebied.